Home | Producties | Speellijst | Paljassers | Geschiedenis | Lidmaatschap | Contact | Links
 
 

"KIJK, BESTE MENSEN, ZO IS HET GEKOMEN !"                                  (openingszin uit "Bemoei je d'r niet mee", naar Simon Carmiggelt)

In maart 1975 zat ik in Mechelen bij Mireille Cottenjé op de sofa. Ik had haar gevraagd een toneelstuk te schrijven voor ons beiden en hoewel ze geïnteresseerd was zaten de vele beperkingen die ik oplegde haar dwars. Als ik dan toch zo goed wist hoe het allemaal moest, dan kon ik maar beter méé schrijven. En dààr had ik niet op gerekend. Waarom wou ik een toneelstuk en waarom met Mireille Cottenjé?

Dit verdient enige uitleg. In 1974 was ik gestopt met toneelspelen na jarenlange drukke activiteit bij het Amatoon-gezelschap, Fakkelteater, EWT, Streven en andere Antwerpse toneelgroepen. Met Amatoon, een eigen gezelschapje ontstaan uit de studententijd, moest ik in 1967 noodgedwongen stoppen vanwege een lege kas. Jammer, want we draaiden niet zo slecht, al speelden we (toen ook al) uitsluitend creaties van Vlaamse auteurs. Bij de andere gezelschappen ging ik telkens weg vanwege interne spanningen, intriges e.d.m. De ervaring die ik daarbij opdeed, leerde me dat groepen met meer dan 10 mensen altijd vroeg of laat in de problemen, de clinch, enzovoort kwamen. Ik verlangde dus naar ongedwongen kleinschaligheid, en die kwam ik niet zo meteen tegen.

Echter, na een jaar theater-onthouding begon er iets te knagen. De toneelmicroob? En toen moest ik op een Vrouwendag wat improvisatiespelletjes spelen met o.m. Mireille Cottenjé, die vroeger beroepsactrice bleek te zijn geweest. En die recent bekroond was voor een nieuw toneelstuk. Die wetenschap en haar uitroep enige tijd later: 'Gerdje, wanneer spelen we nog eens theater' (gehoord door alle 300 aanwezigen op een openbare manifestatie) brachten mij op het originele idee om haar een stuk te laten schrijven dat we samen zouden spelen. Echter: geen decor, geen ingewikkelde techniek, weinig rekwisieten, kortom: beperkingen, zie hierboven. Om een lang verhaal kort te maken : Mireille en ik schreven samen 'Straks is allang voorbij', dat we uiteindelijk niet samen speelden, maar dat ik eerst met Reinhilde Demedts en nadien vooral met Nicole Pellegroms heb gespeeldŠ

Šén met succes, anders zou er nooit een vervolg gekomen zijn. Dat succes had te maken met het onderwerp (echtscheiding), met het zeer herkenbare van de taferelen én met het feit dat we in àlle omstandigheden konden spelen. En over die omstandigheden kunnen Mireille en ik een boek vullen, maar dat is iets voor later. Feit is dat we er 175 voorstellingen van gegeven hebben en dat er vraag was naar meer, vooral bij die verenigingen die inderdaad geen infrastructuur in de buurt hadden om een theatervoorstelling te organiseren.

Onze kleinschaligheid toen en later (1 à 2 acteurs) en de flexibiliteit van onze decors maakten dat wij telkens opnieuw welkom waren. Heel ongewoon bij 'literaire collega's' was het dat Liva Willems (thans: Gode-Liva Uleners) bijzonder veel heeft bijgedragen tot het bekend maken van onze eerste produktie bij diverse organisatoren. Niet alleen deed ze dat uit sympathie, ze was ook in echtelijke problemen verwikkeld en daarom sprak "Straks is allang voorbij" haar extra aan. Ze was daarenboven druk bezig met een nieuw toneelstuk, een monoloog over de problemen en de schandalen die zich hadden afgespeeld in de toen beruchte instelling voor probleemjongeren "Vrij en Vrolijk". Ze schreef het stuk, dat later "Twee ogen zo blauw" ging heten, in opdracht van het M.M.T. Door allerlei omstandigheden zou dit theater het stuk niét op het repertoire brengen en Liva stelde mij voor om het te spelen. Het zou mijn zwaarste toneelopdracht worden, zowel emotioneel als artistiek. In 1977 begonnen Arnold Willems en ik eraan en in 1978 kwam "Twee ogen zo blauw" in première. Niet onopgemerkt... Vrijzinnig Antwerpen, inclusief de Vrijmetselaarsloge, stond op zijn achterste poten en deed wat mogelijk was om de produktie te boycotten. Resultaat: bijna 100 voorstellingen, en een nieuw schot in de roos.

We waren vertrokken, vooral omdat in 1979 twee belangrijke beslissingen werden genomen: kunstschilder (en toen ook aspirant-cabaretier) Harry Heirmans, die mij in die periode regelmatig uit de brand hielp als toneeltechnieker, wilde een eigen theatertje beginnen en ik wilde revancheren op een rotproduktie waaraan ik noodgedwongen moest meedoen en waarvoor iedereen (ten onrechte) mij verantwoordelijk stelde.Die revanche werd het inmiddels overbekende Carmiggeltprogramma "Bemoei je d'r niet mee", dat nog steeds op het repertoire staat en meer dan 500 voorstellingen kende. Een recordprestatie waar in de Vlaamse pers (in tegenstelling tot de Nederlandse) nauwelijks aandacht besteed werd.

Zonder dat Carmiggeltprogramma zouden we allang niet meer bestaan, het heeft ons jarenlang in staat gesteld andere produkties te financieren die minder lucratief bleken te zijn of die door hun ernstige ondertoon minder 'verkoopbaar' waren. De opbrengsten van Bemoei je d'r niet mee hebben ook de eerste jaren van Theater Paljas financieel helpen mogelijk maken. Want het theatertje van Harry Heirmans kwam er in juni 1980, het werd ons huistheater én een gastvrije plaats voor vele, vele theatergroepen, zangers, auteurs e.d.m. uit Vlaanderen en Nederland : Toneelgroep Het Volk uit Haarlem (Bert Bunschoten en Wigbolt Kruyver, later vervoegd door broer Joep) bracht vele schitterende produkties bij ons in première, Guido Belcanto kreeg er zijn eerste kansen, Kommil Foo kende er zijn eerste successen, e.v.a.

Dertien seizoenen lang hebben we, zonder enige overheidshulp, Theater Paljas kunnen runnen, ten koste van veel, veel zweet en nog meer geld, maar zonder enige spijt, integendeel. En de rondreizende groep blééf produceren, steeds creaties, meestal Vlaams werk, met nieuwe mensen die kansen kregen zoals Anne Mie Gils die we de solomusical Lola Blau lieten creëren, een investering die voor een paar mensen bijna het bankroet betekende (gelukkig bracht Den Dopper met Alex Wilequet enige financieel soelaas...) Wim Danckaert (Mephisto, naar Klaus Mann), Kris de Volder (Taboe), Michel van Dousselaere (Adieu, sans rancune, Paul Koeck), Erik Burke (De Grap, naar Jos Vandeloo) enzovoort. Niet altijd werden deze kansen met dank beloond, en sommigen vermijden nog steeds in hun c.v. angstvallig de naam Paljas te vermelden, maar ook daarvan lagen we niet wakker, we hebben er alleen onze lesjes uit getrokken.

En inmiddels zijn we dus dertig jaar bezig, creëren we binnenkort onze 48e produktie, hebben we zo'n 3500 voorstellingen gespeeld, zonder noemenswaardige steun van het Ministerie van Cultuur één seizoen heeft Patrick Dewael, Minister van Cultuur, ons erkend en gesubsidieerd met 2.000.000-Fr.). Veel mensen vragen ons na een geslaagde voorstelling (minder geslaagde produkties hebben we steeds zeer snel afgevoerd) hoe het toch mogelijk is dat wij geen subsidies krijgen. Het antwoord is eenvoudiger dan velen denken. Het werd ons meer dan eens door politici zelf in ons onwillige oor gefluisterd: niet een gebrek aan originaliteit, doorzettingsvermogen of kwaliteit wordt ons verweten, maar wel een ontzettend tekort aan partijkaarten. Die hebben we inderdaad niet, ik zeker niet en ik zal er nooit een hebben, omdat ik vind dat de politiek zich niet met cultuur hoeft te bemoeien (Carmiggelt zei het al...), de politici moeten er alleen maar voor zorgen dat er voldoende middelen ter beschikking staan voor de cultuur. Punt. Vlaanderen maakt zich al sinds mensenheugnis belachelijk voor de buitenwereld door de (al te bepérkte) middelen volgens het cultuurpact (ieder pakt...) te verdelen tussen de diverse kleurtjes. En voor wie dat spelletje niét meespeelt, valt er weinig of niets te rapen, zélfs geen projectsubsidies (en die worden vandaag de dag de eerste de beste toneelidioot naar het hoofd gesmeten - op voorwaarde dat het eindprodukt hoofdpijnverwekkend is).

Toch gaan we door, met of zonder Ministerie, want zolang interessante auteurs (en die kennen ons) werk willen schrijven voor of afstaan aan interessante acteurs (en dié hébben we) blijven we produkties maken, al valt de onrechtvaardigheid waar we nu al 30 jaar (min één) het slachtoffer van zijn soms bijzonder zwaar. Om het met Carmiggelt te zeggen: We blijven lachen.

Gerd de Ley